|
Het Zandvoortse geslacht Draijer, overgenomen door Cor Draijer uit Zandvoort, e-mail: cor@draijer.net uit een handgeschreven uitgave van 1947 door –naam ontbreekt- en door Cor Draijer, J.A. Fijnvandraatlaan 5 te Weesp, telefoon 0294 – 411261 ter beschikking gesteld.
Dit verhaal is nog niet compleet. Ik ben momenteel de tekst verder aan het uitwerken, tevens zullen hier tzt foto's bij de diverse verhalen verschijnen. Maar ik ben zo enthousiast dat ik alvast een en
ander op de site zet. De originele tekst is enigszins aangepast naar het Nederlands van nu.Het is vandaag 20 februari 2001 en rond eind april kan ik waarschijnlijk beschikken over foto's en ander materiaal voor op
de site.
ZANDVOORT
Anderhalf uur ten Westen van Haarlem, waarmede het door de Zandvoortsche laan verbonden is, ligt de gemeente Zandvoort, in oude brieven Sandefoerde, Sandfort en Sandvoert geheten.De Zandvoortsche laan
werd omtrent 1825 aangelegd; voordien bestond de verbinding slechts door het z.g. Visscherspad. Zo begint de opgeschreven speurtocht.
Zandvoort is een tamelijk oud dorp -het wordt reeds voor 1300 vermeld- dat vanouds volkrijk en welvarend placht te zijn, maar dat eens zwaar getroffen werd door de pestziekte, waardoor het grootste
deel zijner inwoners stierf.
De oudste gegevens, die wij omtrent het getal der inwoners en de huizen hebben, zijn de volgende:
1514: 76 huizen
1632 148 huizen
1722 626 inwoners 92 huizen
1732 89 huizen
1803 710 inwoners
1850 1100 inwoners 200 huizen
1882 2107 inwoners 460 huizen
1939 pl.min 9000 inwoners
Dat in 1632 het aantal huizen 148 bedroeg en 100 jaar later nog slechts 89, is ten dele toe te schrijven aan stormvloeden waaronder Zandvoort vele malen heeft geleden, o.a. bij de z.g.
Allerheiligenvloed van 1570. Een dergelijke ramp trof het dorp op 4 en 5 maart 1671, toen bij volle maan en hoge springvloed de duinen bezweken en vele huizen weggespoeld werden.. Een soortgelijke ramp overkwam
Zandvoort bij een vliegende storm in het jaar 1682. Sindsdien zijn de duinen verstevigd tegen verstuiving middels helmbeplantingen.
Voordat Zandvoort zich ontwikkelde tot de badplaats zoals wij haar nu kennen (in 1826 werd het Groot-Badhuis opgericht), vond de bevolking grotendeels haar bestaan in de visserij en de vishandel,
zowel van verse en gedroogde vis, welke weer in Haarlem en Amsterdam verkocht werd.
Ongetwijfeld heeft de bevolking in de visserij een ruim bestaan gevonden; in Zandvoort werd namelijk voornamelijk de haringvisserij bedreven, de "Grote Visserij: genaamd, in tegenstelling tot de
vangst van platvis, kabeljauw en schelvis die toen de "kleine visserij" werd genoemd. De haringvisserij in z'n geheel werd van overheidswege zwaar beschermd. Er was een verbod op de invoer van "vreemde" haring, er
was een verbod van de uitvoer van netten voor de visvangst, het was niet toegestaan om schepen voor de haringvangst te verkopen aan vreemde naties, er mocht geen gebruik worden gemaakt van vreemd vissersvolk,
kortom, het protectionisme vierde hoogtij en de haringvangst werd een ware goudmijn genoemd voor de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.
Omstreeks 1625 en later deden de Zandvoorters ook voor een belangrijk deel mee aan de "Groenlandsevaart", in de volksmond "De Visscherij in Straat Davis", de walvisvangst dus. Zandvoort wentelde
destijds zich in een periode van welvaart en vooruitgang. Een aardige bijverdienste werd gevonden in de beplanting van duingronden met aardappelen en erwten. Van de aardappelen werd gezegd dat "De hier geteelde
aardappelen voor de keurigsten van geheel ons vaderland behouden worden, terwijl zij ook buitengewoon lang goed blijven, maar niet goedkoop zijn."
In 1875 werd in Zandvoort 760 hectare grond beplant met aardappelen die een opbrengst genereerden van 30.400 hectoliter. Ook de schelpenvisserij verschafte veel Zandvoorters werk en dus brood; in 1880
werd ruim 10-duizend hectoliter schelpen opgevist en uitgevoerd.
De inwoners belijden het meest de "Hervormden Godsdienst". Het Nederlands Hervormde Kerkgenootschap benoemde tot eerste predikant Johannes Marcus. Hij aanvaardde zijn dienstwerk in 1586 en overleed in
1611. Dat men in Zandvoort echter reeds veel vroeger de Hervormde leer was toegedaan blijkt o.a. uit het Keur –en Gebodsregister van Haarlem. Volgens een officiële oorkonde, vaardigde de regering van de stad Haarlem
op 3 april 1531 een verbod uit: "Dat geen inwoonders ofte poorters tot Santvoort sullen gaan hooren naar de predicatie, doordien veel guaestie komt over 't seggen: Gij Luyteranen, gij Papisten en de andere woorden".
Erg vriendelijk schijnen de Zandvoortse Hervormden, toen nog Gereformeerden geheten, inderdaad niet tegenover de Roomsen gestaan te hebben. Dit blijkt ook wel enigszins uit de doop op 20 oktober 1715
van Jacob, zoon van Maarten Jacobszoon den Draaijer en van Grietje Jacobs van der Lee. Deze doop had plaats ten overstaan van de vader en Aagje Leenderts van der Lee. Deze laatste getuige was benoemd in plaats van
Crijn Jacobs van der Lee, daar deze "dewijl Paaps, niet tegenwoordig is". Deze Crijn Jacobs van der Lee, een broer van Maarten Jacobs den Draaijer's Vrouw, is dus in tegenstelling tot de andere Van der Lee's, Rooms
en niettemin als getuige bij de doop uitgenodigd. Wij kunnen in het midden laten ofwel hem aal Roomse de toegang tot het Gereformeerde kerkgebouw geweigerd werd, danwel dat hij zelf niet heeft willen komen., in
ieder geval schijnen de verschillende godsdienstige verhoudingen niet zo harmonieus tegenover elkaar gestaan te hebben.
In 1807 had Zandvoort 747 inwoners, hiervan behoorden
649 tot de Hervormde kerk
3 tot de Rooms Katholieke Kerk en
4 tot de Lutherse Kerk
Toen Zandvoort omstreeks 1855 een bevolkingsaantal van 1170 had, behoorden 950 inwoners tot de Hervormde Kerk en 220 tot de Rooms Katholieke kerk. In het jaar 1882 had Zandvoort een inwonersaantal van
2107, die als volgt tot de verschillende godsdiensten behoorden:
1624 Nederlands Hervormd
443 Rooms Katholiek
21 Bisschoppel. Clerezie (Oud Katholiek)
14 Luthers
5 Doopsgezind
-------------
2107 inwoners totaal
De geschiedenis van Zandvoort verhaalt geen geweldige gebeurtenissen, wanneer we tenminste het aanspoelen of zelfs levend verschijnen van walvissen of vinvissen niet daartoe willen rekenen.Zelfs
strandingen van schepen voor de Zandvoortse kust betreffen niet zozeer het dorp Zandvoort zelf of het moest zijn dat Zandvoortse redders zich daarbij van hun edelste kant of hun dapperste kant lieten kennen.Dit was
in het bijzonder het geval toen omtrent 1880 het Amerikaanse schip St.Nicolaas strandde en de gehele bemanning benevens de kapiteinsvrouw, tezamen met 17 personen in één reddingstocht werden gered.
Als een herinnering aan een andere redding, die van de Noorse bark "Henriëtte" in oktober 1873, werd in het raadhuis van Zandvoort in een met spiritus gevuld flesje het oor bewaard dat één der
redders, Willem Draaijer geheten, bij dat ongeluk verloor. Nadat de reddingsboot was uitgevaren en bij het wrak was aangekomen, sprong een ketting van de zogenaamde "Spaanschen Ruyter" stuk en trof het hoofd van
Willem Draaijer dusdanig, dat het oor eraf gerukt werd. Dit ongeval scheen de wakkere zeerob niet te deren, hij ging gewoon door met redden wat er te redden viel. Nadat de redders waren teruggekeerd en zijn hoofd
was verbonden, wilde hij het oor weggooien. "Wat heb ik aan dat ding", zei Willem Draaijer. De burgemeester voorkwam dat en bewaarde het oor in een flesje spiritus. Al gauw werd het verhaal in de wijde omgeving
bekend en velen kwamen naar Zandvoort om de moedige Draaijer en natuurlijk het afgerukte oor te zien. De bezoekers lieten zich niet onbetuigd. De burgemeester ontvang Fl.80,- aan giften en stelde ze Draaijer
ter hand die, dankbaar voor de belangstelling voor hem en zijn oor, het oor aan de burgemeester afstond. (uit: Bad-Zandvoort door F.Allan Rijksarchief Haarlem)
Op 5 mei 1789 werd in Zandvoort de, in het gehele Vaderland bekende dwerg, Simon Jane Paap geboren. Zijn lengte bedroeg 76-en-een-halve centimeter en dit staat op een pilaar in de Grote Kerk te
Haarlem aangeduid. Hij liet zich niet alleen in ons land, maar ook in Duitsland, Frankrijk en Engeland aan vele hoven zien en stierf op 2 december 1828 in Dendermonde, werd later in Zandvoort begraven en in de
dorpskerk bijgezet. Zijn lijk werd later weggeroofd.
De in 1795 gestichte "Bataafsche Republiek" werd als een onafhankelijke staat erkend maar stond in feite onder Frans Protectoraat. We sloten een alliantie met Frankrijk, welke ons onmiddellijk in
oorlog bracht met Engeland. Onze vloot kon het echter niet opnemen tegen de Engelsen, die ons kunst beschoten en blokkeerden de zeewegen, wat weer grote schade toebracht aan onze vissersdorpen, waaronder Zandvoort.
Daar er niet meer gevist kon worden en dus ook niet meer verdiend, verviel de bevolking in grote armoede. Dit werd zelfs zo erg, dat Haarlem aan de armen van Zandvoort 50 zakken aardappelen schonk, Amsterdam voor
Zandvoort en Wijk aan Zee collecteerde en zelfs de inwoners van Kaap de Goede Hoop gelden inzamelden voor de inwoners van de arme zeedorpen, die door de oorlog zo te lijden hadden.
In het jaar 1803 was het dorp getuige van een zeer stoutmoedig stukje. Toen de Engelsen het dorp beschoten, waardoor een visserbootje (toen 'pinkje' geheten) zwom een zekere Matthijs Moolenaar naar
het brandende botje en bluste de brand onder het geschut van de vijand. Door een aantal Haarlemmers werd de moedige Moolenaar een zilveren doos aangeboden waarop het volgende inschrift stond:
Deez' doos vereerde een vriendenkring
Aan Zandvoort's braven jongeling
Den Kloeken Matthijs Moolenaar
Die spijt het dreigend lijfsgevaar
Bij 't fel beschieten van de kust
Een brandend pinkje heeft geblust
Dat dit geschenk, hoe klein bewijz':
Bataafsche moed staat nog op prijs
Zandvoort is een heerlijkheid die tot 1722 behoorde aan de graaflijkheid van Holland en in dat jaar verkocht werd aan Paulus Loot. Door overerving ging Zandvoort vervolgens over aan de
volgende families:
In 1754 aan Van Marselis
In 1792 aan Hartsinck
In 1824 aan Baarnaart
In 1875 aan De Favauge en
In 1915 aan Quarles van Ufford
Het wapen van Zandvoort bestaat uit een veld van goud met 3 kruislings over elkaar liggende haringen van zilver.
HET GESLACHT DRAIJER
Het is in dit oude Santvoordt (schrijfwijze 1650) waar de bakermat stond van het geslacht Draijer, voorzover het momenteel uit de oudste thans nog bestaande gegevens en archieven ons bekend
is geworden. Dat we het geslacht Draijer hebben kunnen terugvoeren tot omstreeks 1550, is in belangrijke mate te danken aan het feit dat het de gewoonte was om bij de doop van kinderen getuigen te laten
optreden, te weten: als eerste de vader, als tweede de grootvader en/of grootmoeder, als derde een tante en als vierde een goede bekende van de familie.Het terugvoeren van een geslacht is vrij eenvoudig zolang er
eigen namen gevoerd worden, moeilijk of zelfs zeer moeilijk wordt het als dit nog niet
het geval is en iemand wordt aangeduid met zijn vader's voornaam. Wanneer bijvoorbeeld Jacob Draijer niet als Jacob Draijer maar als Jacob Maartenszoon, Jacob Maartse of Jacob Maerse wordt vermeldt. Wanneer er nu twee, drie of meer Jacob Maartenszoon'en zijn, weet men aanvankelijk niet welke Jacob Maartenszoon degene is die in het Draijer-geslacht thuishoort. Gelukkigen komen de getuigenons dan de hulpzame hand bieden, althans, zij kunnen dit doen. Laten we dit met een eenvoudig, deels verzonnen voorbeeld duidelijk maken, hoe gegevens achterhaald kunnen worden:
In 1685 wordt Cornelis geboren, zoon van Jacob Maartse en Aaltje Cornelis. Jacob Maartse en Aaltje Cornelis zijn in 1680 gehuwd. Bij de doop van hun zoontje Cornelis of bij hun huwelijk was Neeltje
Henderichs getuige. We weten nu dus de geboorte van Jacob Maartse's kind en zijn huwelijk maar willen verder terugzoeken, dus naar de geboorte van Jacob Maartse zelf. Daar hij in 1650 huwde en bij zijn huwelijk zeer
waarschijnlijk tussen de 20 en 25 jaar oud was, gaan we zijn geboorte zoeken vanaf 1660 en terug. We vinden de geboorte op 25 maart 1658 van Jacob, zoon van Maarte Willems en Neeltje Henderiks maar verder bladerend
in het doopboek van de Gereformeerde Kerk, thans de Hervormde Kerk, vinden we nog een geboorte van een Jacob. De zoon van Maarte Hendriks en Grietje Jacobs en tot overmaat van ramp vinden we een derde geboorte van
een Jacob, de zoon van Maarte Jeroens en Sara Heins. Nu hebben we drie keer een geboorte van een Jacob, respectievelijk zoon van Maarte Willems, Maarte Hendriks en Maarte Jeroens. We zouden niet uit de voeten kunnen
met deze geboorte en wie bij wie hoort, ware het niet dat de getuigen bij het huwelijk in 1680 of bij de doop in 1685 ons uit deze verwarring kunnen halen. Een getuige blijkt Neeltje Hendriks te zien die tevens de
vrouw blijkt te zijn van Maarte Willems.
Maarte Willems' vrouw was dus als moeder getuige bij het huwelijk in 1680 of als grootmoeder bij de doop in 1685.
Het moge duidelijk zijn dat getuigennamen van grootouders en ook van tantes en ooms een waardevolle hulp zijn. Het eerste keren dat de eigennaam van het geslacht Draijer genoemd wordt, is vastgelegd
als Den Draijer en De Draijer. Later zullen we de naam nog tegenkomen in de volgende varianten: Draijer, Draaijer, de Draaijer, Den Draaijer, Drajer en Draajer. We moeten niet vergeten dat in vorige eeuwen veel
mensen niet konden schrijven en dat correctievloeistof nog niet bestond. Doopboeken waarin namen zijn opgetekend, konden achteraf niet gecorrigeerd worden en men schreef een 'moeilijke' naam vaak op, zoals het werd
uitgesproken. Daar komen o.a. de varianten vandaan. Eigenlijk hoort er nog een aparte schrijfwijze bij, welke werd gebruikt voor de naam Den Draijer, maar daar komen we zodadelijk op terug.
Het is een vaak gehoorde vraag: wat zou mijn naam toch betekenen en waar komt het vandaan. Deze vraag is niet altijd makkelijk te beantwoorden. Wat zegt het bijvoorbeeld wanneer men Stroeve, Poorte,
Noome of nog anders heet en deze naam geen aanwijzing geeft omtrent de oorspronkelijke betekenis geeft een misschien wel in de loop der eeuwen tot onherkenbaar wordens toe verbasterd is. Er zijn vele namen die wel
degelijk verklaarbaar zijn. In grote trekken kunnen ze in 4 rubrieken ondergebracht worden en wel als volgt:
1. Afleidingen van voornamen,
bijvoorbeeld: Willems of Willemse, Hendriksen, Jacobsen, Goossens, Alders, Rieuwerts enz.
2. Geografische namen,
bijvoorbeeld: Van Kralingen, van Lennep, van Buren, van gent, van (Sint) Truijen, van gelder, van Zeeland, van Zweden, van Polen enz.
3. Beroepsnamen,
bijvoorbeeld: Bouman, De Jager, Smit, Bakker, Slager, De Wever, Schoenmaker en de Joodse namen Hoendersnijder, Kousen en Negotiant.
4. Namen, ontleend aan lichamelijke of geestelijke eigenschappen,
bijvoorbeeld: De Lange, De Sterke, De Roode, de Wit, De Zwart, De Goede, De Quaadsteniet
Uiteraard zijn nog veel meer namen in nog veel meer rubrieken onder te brengen, we beschrijven hier in het kort alleen de 4 grootste groepen.
De(n) Draijer
We hoeven ons niet af te gaan vragen waar deze naam in thuishoort, het is een beroepsnaam, de naam van het beroep van zijn drager. Maar, zonder meer schenkt hij ons niet de volledige
opheldering die wij wensen. Het zou de naam kunnen zijn van een draaier in de timmermanswerkplaats of een smederij maar het zou ook de lijndraaier kunnen zijn op de lijnbaan. We kunnen gelukkig kort zijn; twee
vondsten stelden ons in staat om met volkomen zekerheid de herkomst van de naam te bepalen. In het jaar 1645, om precies te zijn, op 12 maart namelijk, koopt Maertse Willemszoon (later Maerte of Meerten Willemszoon
de(n) Draijer genoemd), van Jan Corneliszoon Broer, wonende te Rotterdam een huis met erf en Lijnbaan, teerhuis, en de daarbij behorende gereedschappen voor de "Lijndrayerie".
Uit het Oud-Rechterlijk Archief van Zandvoort, berustende ten Rijks-Archieve van Noord-Holland te Haarlem vinden we in boek 1115, bladzijde 161 het volgende opgetekende:
"Wij Heyndrick Arentszoon van der My, Schout, Aryan Cornelissen ende Louweris Jacobszoon, schepenen in den Dorpe van Santvoort, oirconde ende kennen als dat voor ons gecomen ende gecompareert is in
eijgener persoon Jan Corneliszoon Broer, wonende tot Rotterdam ende bekende verschaft opgedragen ende gecedeert en tot eenen vrijen eijgen getransporteert t'hebben bij deesen aan MAERTE WILLEMSZ. een huijs met Erve
ende Lijnbaen gelijck als tot tegenwoordich bij den cooper gebruijckt werd, groot omtrent off ruym dertich roeden in het vijercant met het erve daar het voorschreeven huijs op staet gelegen in den voors. Dorpe van
Santvoort, streckende in het Zuijden ende zuijtwesten aen houtte heijninge van Pieter Heijndericksz. Houteman, nu toe comende den voor. Schout en van daer voorts streckende met voorseijde erve ende Lijnbaen deur die
Nordtduijnen breed anderhalve roede ende lanck vijff ent seventigh roede, mette laste van vijer en twintich stuijvers 's jaers erffpachte daarop staende verschijnende telcken jaere op Lucusmert, die sijn Ex. Van
Brederode daerop 't sprecken heeft, van wijen 't voorschreven Erve ende Lijnbaen in Erffpacht gewonnewis die den cooper tot sijnen Luste neemen sal met het recht van 't verbreecken van dien, ende voorts alles uijt
wijsende den erffpachtbrief van dien waernaer den cooper hem sal moeten reguleren. Voorts met een vrij eijgen wech, tusschen den voorn Schout ende Jan Huijbertszoon een roe breedt vrij met de wagen ende 't voet
mogen gebruijcken soo als 't aff gepaelt staet ende sal de cooper de helft van de wech tot sijnen coste moeten onderhouwen met aff 't paelen. Anders al, vrij sonder eenighe verdere pachten ofte renten. Dan welcke
voors. vercooppenningen ende overdracht hij comparant bekende bij hande van de Voorn. Marten Willemsz. alle vernoecht voldaen ende betaelt sijn de leste penninck mette eerste. Belovende daeromme voors huijs ende
lijnbaen boven die voors lusten t'vrije ende t'ware gelijck alsmen in den voors Dorpe van Santvoort schuldich ende gehouden is te doen. Verbindende daervore sijn persoon ende generalijck alle sijne goederen roerende
ende onroerende geen uijtgesondert d'zelve onder werpende totbedwunck van allen 's Heeren rechte ende rechteren alles sonder arg ofte liste ende kennisse der waerheijt soo hebbe ick Schout voorn den Verleijde van de
voors comparants erve mijnselve ende ter beede van mijn voors Scheepenen mijn segel hijer beneden aen gehangen den XIJ Martius 1645
Impost 8-15-betaelt
De coop is 350 caroly guldens contant
Heinderick Arents, Schout
Aryen Cornelis, Schepen
Louweris Jacobsen, Schepen
Maarte Willemsz. is dus een lijndrayer en ofschoon dit op zichzelf voldoende is om het bewijs te leveren waardoor het geslacht Draijer aan zijn naam kwam, wordt dit ten overvloede nog eens bevestigd
wanneer Maerte Willemsz. kleinzoon op 7 mei 1713 in het huwelijk treedt. Het trouwboek van de Gereformeerde Gemeente te Santvoort vermeldt dan het volgende:
Maarten Jacobsz. Lijndraijer,
Jongeman
Met
Grietje Jacobs van der Lee
Jongevrouw
Beijde van Sandvoort
Ook wanneer op 2 juli 1713 hun dochter Aaltje geboren wordt, heet hij Maarten Jacobsz. Lijndraijer en bij latere geboorten heet hij Den Draaijer om vervolgens altijd kortheidshalve maar
Maarte(n) Jacobsz. Zonder meer te heten. De naam is nu al echt familienaam geworden, want ofschoon hij enige malen Lijndraijer of Den Draayer genoemd wordt, is hij van beroep volstrekt geen draijer, geen lijndraijer
maar haringvisser. Deze opheldering verschaft ons dezelfde doopsinschrijving van het dochtertje Aaltje. De doop heeft namelijk plaats ten overstaan van Jacob Maartensz. Lijndraijer, de enige keer dat we deze
aanduiding terugzagen, met daarachter vermeldt het volgende:
de Vader ten haring sijnde en Aagje Leenderts van der Lee.
Draijer, in welke schrijfwijze dan ook, is dus familienaam geworden. Of dit nu alleen te danken is geweest aan de 'Lijndraijerie' van Meerten Willemsz. of dat reeds zijn vader en grootmoeder, danwel
zijn zoon eveneens dit beroep heeft uitgeoefend, is vooralsnog nergens meer na te gaan.
Zoals eerder gezegd zijn de getuigennamen van de grootouders een waardevolle steun bij het speurwerk maar er moet altijd opgepast worden voor verkeerde interpretaties. Dit blijkt weer eens uit het
feit dat juist de eerste twee keren dat de naam van Den Draijer als getuige wordt genoemd. Meerten Willemsz. den Draijer's vrouw, Neeltje Hendricks, getuigt bij 2 dopen die niet van haar kleinkinderen zijn. In het
eerste geval betreft het met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid en in het tweede geval zelfs zeer zeker.
De eerste doop waarbij Neeltje Hendricks aanwezig is, is die op 17 oktober 1666, wanneer er die dag gedoopt wordt: "Jacob, soon van Walich Volkertsz. en Crijntje Engelen, ten overstaen van den Vader,
Neeltje Heijndricks en de Huijsvrouw van Meerten Willems den Draijer als getuijge"
De tweede doop is die van 17 november 1669 van: "Volckert, soon van Arent Volckertsz. en Maertje Meertens. De Vader ten haring sijnde, Neeltje Hendricks huijsvrouw van Marten Willems den Draijer
als getuijge."
In hoeverre deze Volckertsz'en tot de familie behoren, hebben wij niet kunnen uitzoeken., daar doop –en trouwboeken pas in 1659 begonnen. Echter, wanneer we kunnen constateren dat Neeltje Hendricks
geen enkele maal als getuige bij dopen optreedt of we kunnen de familieverwantschap vaststellen, dan valt het zeer op dat Neeltje bij niet minder dan 4 dopen van de kinderen van Walich Volkertsz. en Crijntje Engelen
als getuige optreedt. Hieruit kunnen we veilig aannemen dat Walich Volkertsz. (of Crijntje Engelen) tot de familie behoort. Deze moeilijkheid wordt gelukkig opgelost door de vondst in het Oud Rechterlijk Archief,
deel 1115, wanneer op 7 juni 1647 Cornelis Garbrantsz. aan Volckert Willemsz. een "huijs, Lijnbaen, Droogtuijn ende erve" verkoopt, "alles staende ende gelegen tot Santvoort." Hieruit blijkt dus zeker dat Willem
Maertens niet alleen een zoon Meerten had maar ook een zoon Volckert en dat beiden lijndrayers waren. Maertje Meertens behoort dus wel tot de familie maar was geen dochter van Meerten Willemsz. en Neeltje Hendricks,
ook al getuigt Neeltje wel bij de dopen van drie van de zes kinderen. Bij de dopen van het 3-e totenmet het 6-e kind getuigt namelijk steeds Meerten Jeroens, zodat hieruit voldoende blijkt dat Maertje Meertens geen
dochter is van Meerten Willemsz. maar van Meerten Jeroens. We denken dit zeker omdat Meerten Jeroens nooit getuigt bij de dopen van Meerten Willemsz. kleinkinderen. Dat Meerten Jeroens niet getuigde bij de eerste
twee dopen zou zijn oorzaak kunnen vinden in het feit dat hij haringvisser was en destijds 'ten haring' was.
Uit dit getuigen van Neeltje Hendriks bij enkele dopen van Meerten Jeroen's kleinkinderen en uit het gezamenlijk getuigen van Meerten Jeroens en Meerten Willemsz. bij de doop van Jeroen Meerten's
zoontje Jan, spreekt een nauwe familieverwantschap en het is dan ook niet gewaagd om aan te nemen dat ze beiden zoons zijn van de twee broers Willem en Jeroen. Uit de doopgegevens blijkt echter dat Willem en Jeroen
niet de enige broers waren, maar dat er nog een broer Hendrick geweest moet zijn, gezien de getuigen van Hendrick's zoon: Maerten Hendrick Draijer, samen met –alweer- Neeltje Hendricks bij de doop van Volckert op 22
december 1679.
Uit de –overigens onvolledige- doopsinschrijving blijkt helaas niet wie de vader en moeder van Volckert is. Waarschijnlijk zijn het de bij de doop op 23 juli 1684 genoemde Hendrick Maarze en Grietje
Dirks, waarvan het huwelijk helaas ook al niet ingeschreven is. We hebben dus 3 broers weten te traceren, te weten Jeroen, Willem en Hendrick en alledrie hebben een zoon Meerten, te weten: Meerten Jeroens, Meerten
Willems en Maerten Hendricks en er is dus niet zoveel voor nodig om te begijpen dat de vader van Jeroen, Willem en Hendrick dus Meerten heette. Een aanwijzing hiervoor is nog, dat er in 1621 bij de verkoop van een
huis sprake is van een Jeroen Maartens (Oud Rechterlijk archief, deel 1115, blz.11) in het Rijksarchief in Haarlem.
En hiermee hebben we, voor zover de gegevens ons daartoe in staat stelden, de stamovergrootvader van het geslacht Draijer ontdekt:
1. Meerten - Stamovergrootvader 1550 (plusminus)
2. Willem - Stamgrootvader 1582 (plusminus)
3. Meerten - Stamvader 1615 (plusminus)
4. Jacob - Oud-betovergrootvader 1650 (plusminus)
5. Maarte - Oudovergrootvader 1690
6. Cornelis - Oud-grootvader 1732
7. Maarte - Oudvader 1764
8. Cornelis - Betovergrootvader 1794
9. Maarte - Overgrootvader 1825
10. Cornelis - Grootvader 1851
11. Maarten - Cornelis Vader 1891
12. Cornelis - 1927
De stamovergrootvader komt uit 1550. Dat is een respectabele tijd geleden, ruim 450 jaar en voor het gemak maken we er 4-en-een-halve eeuw van. Zegt het u niet zoveel, dan willen we het graag
verduidelijken door erop te wijzen dat toen deze Stamovergrootvader Meerten geboren werd, Keizer Karel de Vijfde nog regeerde en pas enkele jaren later (in 1555) de macht zou overdragen aan zijn zoon, de wrede
Philps II van Spanje; dat Meerten al een flinke jongen was, toen de landvoogdes Margaretha van Parma het smeekschrift der Edelen aangeboden kreeg, de beeldenstorm plaatsvond (1566), Alva in het land kwam om ons
volk te knechten (1567) en met de overwinning in de slag bij Heiligerlee de 80-jarige oorlog begon.
Dat Meerten al de huwbare leeftijd bereikt had, toen Santvoordt in rep en roer geweest moet zijn en de Santvoordters massaal de toppen van de duinen beklommen en gespannen getuurd moeten hebben naar
het naburige Haarlem dat door de Spanjaarden onder Don Frederik de Toledo belegerd werd en waarbij zich de dappere Ripperda en de heldhaftige Kenau Simons Hasselaer zich zo moedig onderscheidden (1573)
Dat Meerten al een gehuwd man en vader was toen onze vrijheidsheld, Prins Willem van Oranje door Balthasar Gerardts arglistelijk vermoord werd (1584) en onze ontdekkingsreizigers op zoek waren naar
het Indie, waarbij Heemskerck en Barentsz. Bij het zoeken naar een noordelijke doorvaart naar Indië, op Nova Zembla moesten overwinteren (1596).
En tenslotte dat Meerten al een man op leeftijd begon te worden, toen onze Rembrandt, Jan Steen, Frans Hals en vele anderen nog maar kleine jongetjes waren, die zelfs nog niet droomden van de
meesterwerken die ze in de toekomst zouden scheppen. Over zoveel jaren terug spreken we.
|