|
Op zekere dag, in juli van het jaar 1857, zag Jacoba Zwemmer in de kamer van haar moeder, Matthijs Schaap staan.Matthijs stond op zijn kousen voor een kast waarin, zoals Jacoba wist, zeker zestien guldens waren
geborgen. En toen Jacoba nog eens goed keek zag ze dat Matthijs het doosje met geld reeds in zijn handen had. Zij pakte hem het doosje af waarna, zonder nog iets te zeggen, Matthijs zich omdraaide en de kamer en het
huis verliet. Eerder al, in februari had hij ook al eens geprobeerd om de woning van Jan Zwemmer, waar de weduwe Zwemmer inwoont, ongemerkt binnen te komen. Hij werd echter opgemerkt en vanaf die tijd was er
bewaking. Simon Drayer en Evert van der Mije werden de vaste bewakers van het huis van Jan Zwemmer. De weduwe Zwemmer, geboren Nelletje Drayer, was tapster en winkelierster in Zandvoort maar haar dochter Jacoba
oefende tegenwoordig de nering uit. Twee jaar later, het was 5 februari 1859, zagen de bewakers Simon en Evert, hoe Schaap over de schutting, die het erf afsloot, klom. Schaap had zijn klompen uitgetrokken en
gevolgd door de bewakers kroop hij in de richting van het achterraam.Hij schoof het raam open en enige voorwerpen die op de tafel stonden zette hij op zij met de duidelijke bedoeling om naar binnen te klimmen.Juist
op dat moment bemerkte Schaap dat hij gevolgd werd, waarna hij zich ijlings terugtrok en in allerijl op zijn kousen via de schutting, de vlucht nam en wegrende in de richting van het strand. Ook de bewoner Jan
Zwemmer had de man gezien en herkend, zodat Schaap werd gezocht en al heel gauw werd gevonden. Maar Schaap ontkende elke aanklacht. Hij zei tegen de politie die hem afvoerde: ze zeggen dat ik mijn klompen heb laten
staan maar jullie zien toch dat ik klompen aan heb. Doch toen hij zijn klompen moest uittrekken zag men dat zijn kousen beslijkt en vochtig waren. Er volgden diverse verhoren en nu wilde men ook meer weten hoe hij
twee jaar geleden een doosje met geld had kunnen wegnemen in het huis van Zwemmer. Maar daar wist Schaap helemaal niets meer van, wegens dronkenschap wist hij zich niets meer te herinneren. Wel beweerde hij dat ook
moeder en dochter beschonken waren geweest. 's Morgens had hij vijftig cents van de weduwe gekregen en daarvan hadden zij tezamen gedronken, beweerde Schaap. Maar Evert Drayer kon verklaren dat hij die dag Schaap
slapende op zolder had gevonden en hij kon dus niet met de vrouwen hebben gedronken. Later wist Schaap het weer, maar of hij voor of na zijn zolderslaapje was gepakt, dat wist hij echt niet meer. Over het gedrag van
de 30-jarige Matthijs Schaap was men niet erg tevreden en omdat Schaap twee strafbare pogingen tot diefstal in een bewoond huis had gedaan, werd hij door de rijksveldwachter Scheurleer en Olthoff voor de publieke te
rechtszitting naar Amsterdam overgebracht. Daar ontdekte men dat Schaap, als 12-jarige varensgezel, wegens diefstal twee jaar gevangenisstraf had gekregen. Hoewel hij nu niets had gestolen, werd zijn poging tot
diefstal bestraft met: vijf jaar tuchthuis.... Vijftig jaar eerder woonde in Zandvoort de 19-jarige visloper Jan Janse Keesman. Het was op donderdag 15 oktober 1807 toe op de afslag van Maarten Matt aan Jan was
gevraagd wat vis naar het huis van Matt te brengen. Met de vis ging Jan naar het huis van Matt waar de deur op een kier stond en niemand thuis was. In het huis zag hij een kastje op een kier staan, opende het en
haalde er aan kleingeld ongeveer zeven en zestig gulden uit en zeven en veertig gulden aan groot geld. Jan was als kind aan huis bij de familie Matt en wist waar alles, dus ook het geld, lag. Toen Matt dan ook de
verdwijning van het geld ontdekte vroeg hij meteen aan Jan of hij er meer van wist. Jan bekende en gaf, op twaalf stuivers na, alles terug. De twaalf stuivers had hij niet gebruikt maar waarschijnlijk verloren.
Jan erkende dat hij voor zijn gepleegde dieverij gestraft moest worden en zei dat hij uit armoede het geld had weggenomen, hij wilde 'kleederen' kopen.Maar omdat dieverijen in een land van goede justitie en politie
niet ongestraft kunnen worden gelaten, eisten de Heren van de Hoge Vierschaar dat de jongen 'strengelijk aan den lijve zal worden gegeseld en of gebrandmerkt'. Doch nu kwamen de dorpelingen van Zandvoort in actie.
Zij schreven op 21 oktober 1807 een brief en verklaarden dat 'de gevangene Jan Keesman zwak van verstandelijke vermogens was en bij de dorpelingen als zodanig bekend stond'. Nu werd door de mannen van Leen bij de
Hooge Vierschaar van Brederode goedgevond en dat men Jan Keesman, mede door zijn jeugdige jaren zeer strengelijk zou kastijden op de achterste delen van zijn lichaam en hem verder ernstig zou laten beloven om zich
braaf en eerlijk te gedragen'. 3 november 1807. A. C. M. VAN DER 00RD-WISKER BRON: RIJKSARCHIEF HAARLEM, 1995
|